Babel en ballingschap teruggedraaid

19 mei 2024

De heilige Geest vertaalt Gods genade in voor ons begrijpelijke taal.

Lezen: Genesis 11:1-9 en Handelingen 2:1-13

Tekst: Handelingen 2:4

Ik begin de preek vanochtend met de vraag van Handelingen 2:12: ‘Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?” Dan denk ik vooral aan het taalwonder, wat heeft dat toch te betekenen? Via die vraag gaan we vanochtend ook ontdekken wat de betekenis van Pinksteren is. En in het verlengde daarvan, wat de rol van de heilige Geest is: wat is zijn werk in deze wereld en in mij?

 

Maar we starten dus bij het taalwonder. Om te ontdekken wat dat betekent moeten we eerst kijken naar wat er nou precies gebeurt. Het wonder is dat de leerlingen van Jezus, door de kracht van de heilige Geest, in buitenlandse talen spreken. De leerlingen van Jezus waren Galileeërs (vers 7). Het waren vissers, geen hoog opgeleide mensen en ze hadden geen talen geleerd. Maar nu opeens spreken ze Partisch, Medisch, Elamietisch, Mesopotamisch, Judees, Kappadocisch, de taal van Pontus en Asia, Frygisch, Pamfilisch, Egyptisch, Libanees, Latijn, de taal van Kreta en Arabisch. De vreemde talen van vers 4 zijn bestaande talen. Als je je verbaast over het ‘Judees’ in dit rijtje, bedenk dan dat het Galilees een nog weer onderscheiden dialect van het Judees was. De leerlingen van Jezus spraken uit zichzelf geen Judees. Maar op de Pinksterdag kunnen ze dat, en doen ze dat, door de kracht van de Geest wel. Net als die andere genoemde talen.

 

Maar dat is een groot wonder. Op de basisschool leer je al Engels. Op het voortgezet onderwijs komen daar Frans en Duits bij. En als je er een beetje goed in bent, als je gevoel voor vreemde talen hebt, heb je geluk. Maar wat een ramp als je dat niet hebt. Al die woordjes die je in je kop moet stampen, zinnetjes, grammatica, werkwoorden verbuigen, je wordt er toch helemaal gek van. En ook wie examen doet in zo’n vreemde taal zal merken dat praten met een Fransman of Duitser nog steeds een uitdaging is. Maar op de Pinksterdag spreken de leerlingen van Jezus vloeiend talen die ze nooit geleerd hebben.

 

Wat is de betekenis hiervan? Waarom doet de heilige Geest dit? Waarom doet God dit door zijn heilige Geest? Het is de omdraaiing van de taalverwarring. We hebben niet voor niets gelezen uit Genesis 11, misschien had je de link toen al gelegd. Wat er bij Pinksteren gebeurt is de omdraaiing van Babel. Of misschien moet je zeggen: God draait Babel terug. In ieder geval voor dat moment. Op die eerste Pinksterdag zijn taalbarrières opeens geen enkel probleem meer. En als je nagaat waarom God in Genesis 11 de taal in de war schopte, dan valt er ook licht op het taalwonder van Pinksteren. Kort gezegd is de aanleiding voor de taalverwarring van Babel de menselijke hoogmoed. We hebben het zojuist gehoord. De mensen willen een stad bouwen met daarin een toren die ‘tot in de hemel reikt.’ Dat klinkt al onheilspellend, de hemel is immers de plek die gereserveerd is voor God. En ze zeggen: ‘Zo vestigen we onze naam.’ Daar komt dus de aap uit de mouw: deze mensen maken zich sterk. Ze willen bekend zijn, ze willen respect afdwingen, iedereen moet hun naam kennen. En het derde is dat ze niet ‘verspreid willen raken over de hele aarde.’ Daarmee gaan ze in tegen Gods bedoeling zoals verwoord in Genesis 1:28: ‘Wees vruchtbaar en wordt talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.’ Deze opdracht aan Adam en Eva herhaalt God later tegenover Noach en zijn zonen na afloop van de zondvloed (9:1). Als je het samenvat, als je het optelt, dan is de torenbouw van Babel een uiting van zich losmaken van God. Van God niet nodig hebben, van kracht zoeken in jezelf als mensen. De mens keert God de rug toe en denkt het zonder Hem ook wel te kunnen redden: de aarde is van ons en wij bepalen zelf wel wat we doen.

 

Maar God roept dat een halt toe. God verwart de menselijke taal zodat de mensen elkaar niet meer begrijpen. En al gauw wordt de bouw van de toren gestaakt, de stad loop leeg, het plan valt in duigen. De taalverwarring is Gods straf op de menselijke hoogmoed. Maar met Pinksteren draait God die taalverwarring terug. Pinksteren is de omdraaiing van Babel: mensen die elkaar niet kunnen verstaan, verstaan elkaar nu opeens wel. En wat de mensen dan horen -in hun moedertaal: Partisch, Medisch, Elamietisch, etcetera- is dat de leerlingen spreken van Gods grote daden. Babel wordt op twee manieren teruggedraaid: 1) de taalbarrière valt weg, maar 2) er wordt weer gepraat over God, over zijn grote daden, over hoe Hij zich een naam gevestigd heeft op aarde. En wel de naam Jezus Christus.

 

Ondertussen zijn we tweeduizend jaar verder. Wat mij in Genesis 11 opviel was wat er staat in vers 6, dat God zegt: ‘wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik.’ God steekt daar dan dus een stokje voor, Hij verijdelt de plannen van de mensen, maar kijk nu eens om je heen: de aarde is één grote stad geworden. Genesis 11:6 beschrijft onze ‘global village’. Er is letterlijk een wereldwijd web om de aarde gespannen waardoor we continu met elkaar in verbinding staan. Gods waarneming in Genesis 11 -wat ze nu doen is nog maar het begin, alles ligt nu binnen hun bereik- is volledig uitgekomen. En de gedachte van ‘God niet nodig hebben’ en ‘de aarde is van ons’ is springlevend. Waarom laat God dat nu wel gebeuren? En nog belangrijker, wat is dan de betekenis van die kortstondige opheffing van de taalverwarring op de eerste Pinksterdag?

 

Voor we bij een antwoord op die vraag komen moeten we nog iets dieper kijken naar wat er gebeurt op de Pinksterdag. Want behalve dat Babel wordt teruggedraaid, wordt ook de ballingschap teruggedraaid. Wie zijn die mensen precies, die de leerlingen in hun moedertaal horen spreken? Misschien zeg je, dat zijn Parten en Meden en Elamieten enzovoorts. Ja, maar het zijn allereerst Joden. Het zijn Joden die afkomstig zijn uit Partië, uit Medië, uit Elam etcetera. In de tijd van de ballingschap (500 vChr) waren de voorouders van deze mensen weggevoerd uit Israël en waren terechtgekomen in Babel, in Asia, in Rome, in Egypte; het hele gebied rond de Middellandse Zee en naar het Oosten. Vers 5: ‘In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde.’ Op hun oude dag kwamen deze mensen uit de verstrooiing terug naar het land van hun voorouders, terug naar de stad van God, om daar te sterven en begraven te worden. Maar deze mensen spraken geen Aramees, laat staan Galilees. Misschien hadden ze een paar woorden Aramees opgepikt om zich in Jeruzalem verstaanbaar te maken, maar daar hield het wel mee op. Daarom zijn ze ook zo verbaasd dat ze de leerlingen in hun moedertaal horen spreken, in het Partisch en Medisch en Elamietisch, het Mesopotamisch en Kappadocisch. Maar daarmee valt de bodem onder de ballingschap weg, het taalwonder maakt hen één. Of misschien moet ik zeggen, het gevolg van de ballingschap verdampt hier. Al die Joden uit de verstrooiing die in Jeruzalem zijn komen wonen, merken dagelijks hoe de ballingschap effect op hun volk heeft gehad: ze kunnen elkaar namelijk niet verstaan. Maar door de kracht van de heilige Geest wordt dit probleem opgeheven. Zij het tijdelijk. Het is een teken. Maar waarvan dan?

 

Dan moet je bedenken waarom de ballingschap had plaatsgevonden. En opnieuw -net als de taalverwarring van Babel- was het een straf. De ballingschap was Gods straf voor de ontrouw van Israël. Op een bepaalde manier was dat nog een graadje erger dan Babel. God had zich immers aan Israël verbonden. Hij had hen bevrijd uit Egypte, Hij had hen een plek gegeven in het land Kanaän. God had grote beloften aan hen gedaan, beloften van voorspoed en zegen. Toch keren de Israëlieten zich van Hem af, verruilen ze het leven uit Gods hand voor een leven dat ze zelf in de hand houden. Dan straft God hen met de ballingschap. Overigens met als doel om hen bij Hem terug te krijgen; dat ze ver van huis de Here terugvinden.

 

Maar dit maakt de vraag waarom Babel en ballingschap op de Pinksterdag kunnen worden opgeheven des te groter. Want er is nog niet zo heel veel veranderd. De volken leefden nog steeds met hun rug naar God toe in hoogmoed en in eigen menselijke kracht, denk alleen maar aan het trotse Romeinse rijk. En Israël? Ze waren dan wel deels teruggekeerd uit de ballingschap maar hun trouw aan God had vreemde trekjes aangenomen. Je had de Farizeeërs met hun uiterlijk vertoon, de Zeloten met hun nationalisme, de Sadduceeën die niet in een opstanding geloofden. Je had de Joodse leiders die toch wel erg op hun positie gesteld waren. En hun trouw aan God, hun vermeende trouw aan God, leidt tot het verwerpen van de Zoon van God. Er is nog niet zo veel veranderd. En toch draait God Babel en ballingschap terug in het taalwonder op de eerste Pinksterdag. Daarmee laat God zien dat er wat Hem betreft wel wat veranderd is. Wat dan? Ja, Jezus, zijn Zoon, heeft op aarde geleefd. Hij heeft als mens alles gedaan wat God van de mens verlangt. Jezus had God volmaakt lief. Jezus was zijn Vader in alles trouw. Jezus had de medemens volmaakt lief. Jezus vervult in zijn leven de wet van God. Hij is de heilige, Hij is de mens die voor God kan bestaan. En in Hem gaat God de wereld redden en met zich verzoenen. Door Hem kijkt God naar de wereld en de mens.

 

Daarom laat God op de eerste Pinksterdag even zien hoe het gaat worden. Want behalve dat God de heiligheid van Jezus als die van de mens accepteert, gaat God ook de mens zelf veranderen. Dat is de Geest die met Pinksteren wordt uitgestort. In Jeremia 31:33 had God dit al aangekondigd: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven’ (Ezechiël 36:27, Romeinen 8:3-4, Hebreeën 8:10). Dat gaat God nu doen. Bij zowel Joden als niet-Joden. En daarom kunnen Babel en ballingschap teruggedraaid worden. Even. Als teken van wat komt. Als teken van wat Jezus gedaan heeft en als teken van wat de Geest gaat doen. De mens is niet veranderd. Maar God heeft een weg gevonden om zijn doel toch te bereiken.

 

Samenvattend, in het taalwonder van de eerste Pinksterdag zegt God: mijn Geest draait Babel en ballingschap terug. Ook in jouw leven. Ook jouw hoogmoed en jouw ontrouw worden teruggedraaid. Dat komt van buitenaf, het is de heilige Geest die dat in ons doet. Wat we met Pinksteren vieren is Gods vasthoudende genade. God geeft niet op. God zegt: ik zie nog steeds die menselijke hoogmoed bij jou, ik weet van je ontrouw ondanks al mijn liefde en beloften. Ik zou je moeten straffen, Ik zou het moeten opgeven met jou. Maar Jezus droeg de staf, Jezus leefde heilig in jouw plaats. En mijn Geest gaat in je aan het werk. Om liefde en trouw te werken, gehoorzaamheid en heiligheid. God geeft niet op. Met Pinksteren vieren we Gods vasthoudende genade. Dat was een van de vragen waarmee we de preek begonnen, wat is nou de betekenis van Pinksteren? Het taalwonder laat zien: God draait in zijn genade Babel en ballingschap terug.

 

De vraag is nu, waar zitten jouw Babel en ballingschap? Ik gebruik die termen als aanduidingen voor jouw hoogmoed en jouw ontrouw. Wat herken je in jezelf van die levenshouding van Genesis 11? Welke plek heeft God in jouw leven: heb je Hem nodig of, als je eerlijk bent, eigenlijk niet? Je redt je wel, je leidt je eigen leven en bepaalt zelf hoe je dat invult. En wat herken je in jezelf aan ontrouw? God geeft je zijn beloften, maar is dat genoeg voor jou of zoek jij de vervulling van je verlangens elders? Waar zitten jouw Babel en jouw ballingschap, jouw hoogmoed en jouw ontrouw? Ik vind dat best heftig als ik naar mezelf kijk. Maar wanneer je het ziet, wanneer je überhaupt erkent dat dit er is in je leven, dan ga je ook meer zien van de Geest. Je ontdekt dat je Hem nodig hebt, maar je ontdekt ook wat Hij al doet. Je ontdekt hoe Hij al in jou werkt: al die dingen die goed gaan, al die momenten dat je het kwaad weerstond, het verlangen ook om dichtbij God te leven in afhankelijkheid van Hem en in vertrouwen op Hem. Dat verlangen werkt Gods Geest in je. En Hij zorgt er ook voor dat het vervuld wordt, dat je verlangen steeds meer werkelijkheid wordt. Gods vasthoudende genade is er ook in jouw leven. Hou daarom niet vast aan je hoogmoed, hou niet vast aan je ontrouw. Jezus heeft het overwonnen. De Geest gaat het overwinnen. En mocht je daar soms aan twijfelen omdat je ziet hoe klein de stapjes zijn die je maakt, bedenk dan: Gods Geest is zo krachtig!

 

Wat moet je nou doen vanuit dit verhaal, wat kun je doen? Allereerst is het gewoon evangelie om blij van te worden: die vasthoudende genade van God. Dank Hem daarvoor. Dank Hem voor zijn heilige Geest die in deze wereld werkt en die in jouw leven werkt. Bid ook om Gods heilige Geest in je leven. Bid om de doorwerking van Gods Geest in deze wereld. En geef je verzet tegen God op, je hoogmoed, je ontrouw. Bid om de kracht van Gods Geest in je, dat Hij dit in je bewerkt. En vraag om liefde voor God in je hart, uitkomend in vertrouwen op God en op zijn beloften. Dat die beloften voldoende voor je zijn, dat ze alles voor je zijn. En als laatste, zoek ernaar om Gods naam in je leven te laten zijn. Wij leven in een wereld waarin mensen hun naam vestigen. Waarin grote namen veel volgers krijgen. Zoek jij ernaar om Gods naam in je leven te laten zijn. Volg Hem.

 

Waar wil God uitkomen? Dat tot slot. Wanneer Gods Geest Babel en ballingschap definitief terugdraait, ontstaat er ruimte voor God en mens om dichtbij elkaar te zijn. Ontstaat er ruimte om als mensen dichtbij elkaar te zijn. Geen taalbarrières meer, geen miscommunicatie, geen verwarring en verwijdering. Dat is de rol van Gods Geest: Hij verbindt, Hij vernieuwt, Hij vertaalt. Hij vertaalt Gods genade in voor ons begrijpelijke taal. Amen.