Een gemeente van puzzelstukjes

25 november 2007

In de metafoor van het lichaam ligt het accent niet op de eenheid. Paulus zegt juist: voor eenheid heb je verscheidenheid nodig! We moeten in de gemeente niet allemaal hetzelfde willen zijn, we zullen juist het onderling verschillend zijn waarderen.

Lezen: 1 Korintiërs 12, Romeinen 12:1-8

Tekst: 1 Korintiërs 12:19-20

Stel je eens voor dat je een puzzel hebt met alleen maar gelijke stukjes. Bijvoorbeeld alleen maar stukjes met uitstulpingen. Een dergelijke puzzel is niet in elkaar te zetten. Nou bestaan zulke puzzels ook helemaal niet. Maar stel nou eens dat ik van een bestaande puzzel alleen de stukjes met de uitstulpingen pak en alle stukjes met inhammen laat ik in de doos. Dan kan ik er net zo goed geen eenheid van maken. Dat wordt nooit één mooie puzzel. Dus

 

Voor eenheid heb je verscheidenheid nodig

 

Dat is de eerste gedachte van de preek. Juist omdat er twee verschillende soorten puzzelstukjes zijn, stukjes met uitstulpingen en stukjes met inhammen, juist daarom past het in elkaar. Juist daarom kan ik er een eenheid van maken. Zonder tussenruimtes. Als ik alle stukjes met inhammen tegen elkaar aanleg blijven er allemaal open ruimtes bestaan. En als ik alle stukjes met uitstulpingen tegen elkaar aanleg net zo goed. Dus voor eenheid heb je verscheidenheid nodig.

 

Nu kun je je wel een puzzel voorstellen die uit allemaal gelijke stukjes bestaat. Namelijk stukjes die gewoon helemaal vierkant zijn. Die leg je zo tegen elkaar aan en je puzzel is klaar. Dan zou dus niet gelden dat je voor eenheid verschillen nodig hebt. Maar zo’n puzzel zit natuurlijk wel erg los in elkaar. Een gewone puzzel, die is opgebouwd uit in elkaar grijpende stukjes, kan ik over de tafel heen en weer schuiven terwijl ik maar aan één stukje trek. Al is het een puzzel van 1000 stukjes. Maar bij een puzzel die bestaat uit allemaal gelijke stukjes, die elkaar niet vasthouden, die alleen maar tegen elkaar aanliggen, werkt dat niet. Als ik dan één stukje aan de rand wegschuif dan blijft de rest gewoon liggen. Geen eenheid dus. Ja het lijkt wel een eenheid zolang het tegen elkaar aanligt maar het is een uiterlijke eenheid. Als het er op aankomt valt de boel zo weer uit elkaar. Want er zijn geen onderlinge verbindingen.

 

En nu geldt ditzelfde voor de gemeente. Voor eenheid heb je verscheidenheid nodig. Als we aanlopen tegen de afwezigheid van eenheid, de afwezigheid van gezamenlijkheid, dan moeten we die eenheid niet zoeken in uniformiteit. Eenheid bereik je niet door iedereen in een gelijke mal te drukken. Zo van: ‘Als we nou proberen zoveel mogelijk op elkaar te lijken dan worden we wel één. Dan groeien we wel naar elkaar toe. Als we verschillen nou maar opruimen dan worden we wel een eenheid.’ Het is wel begrijpelijk om zo te denken. Want zijn het niet de verschillen tussen mensen die vaak voor verwijdering zorgen? Ja, zo kan het werken maar dat hoeft dus niet. Wat je eigenlijk doet wanneer je streeft naar uniformiteit in de gemeente is alle uitstulpingen van de puzzelstukjes afhakken en alle inhammen opvullen en de boel dan tegen elkaar aanleggen. Dat lijkt eenheid maar het is geen hechte, geen stevige eenheid.

 

Dus voor eenheid heb je juist verscheidenheid nodig. Voor een hechte gemeente moet je het verschillend zijn van mensen niet wegdrukken maar juist in elkaar passen! En dat is nou precies de boodschap van 1 Korintiërs 12 en Romeinen 12. Dat is nou precies de betekenis van dat beeld van het lichaam. De gemeente, de plaatselijke gemeente, is het lichaam van Christus. Een heel bekend beeld maar wat wil het nou zeggen? Vaak wordt er gezegd: Het gaat bij dat beeld, de gemeente als lichaam van Christus, om eenheid. De gemeente is één, moet één zijn, omdat het lichaam één is. Nou klopt dat wel -het gaat in het beeld van het lichaam om eenheid- maar het is maar het halve antwoord. De andere helft van het antwoord is: Het gaat in het beeld van het lichaam om verscheidenheid. Maar moet je niet kiezen: Het gaat in het beeld van het lichaam of om eenheid of om verscheidenheid? Nee, het gaat juist om beide! Ik moest dat ook ontdekken hoor. Ik dacht ook altijd: bij die lichaamsmetafoor gaat het om eenheid. Paulus zou dan zeggen: wees één zoals een lichaam een eenheid is. Maar Paulus zegt juist: voor eenheid heb je verscheidenheid nodig! We moeten niet allemaal hetzelfde willen zijn. We moeten juist het onderling verschillend zijn waarderen!

 

En het gekke is dat in 1 Korintiërs 12 maar ook in Romeinen 12 het accent zelfs ligt op de verscheidenheid. Terwijl het gaat over eenheid. Paulus roept de gemeente op tot eenheid, zie bijvoorbeeld 1 Korintiërs 1:10. Want in Korinte was er veel verdeeldheid. Je leest dat in de eerste drie hoofdstukken van 1 Korintiërs. Er waren in de gemeente partijen die tegenover elkaar stonden. Er lagen allerlei breuklijnen. Mensen maakten zich sterk tegen over elkaar. De een voelde zich nog beter dan de ander. Hoofdstuk 8 laat ook zien dat men zich weinig tot niets gelegen liet liggen aan elkaar. Als iemand gewetensmoeite had met het eten van offervlees dan trokken anderen hun schouders erover op en zeiden: ‘nou ja, wij hebben dat niet.’ In hoofdstuk 11 blijkt er ook nog een scheiding te zijn tussen rijk en arm.

 

Maar waar kwam al die ellende vandaan? Waardoor werd die verdeeldheid veroorzaakt? Kijk, de gemeente van Korinte bestond uit nogal verschillende mensen. Zo waren er verschillen in etnische en culturele achtergrond: Joden en Grieken (12:13). En er waren verschillen in maatschappelijke status: slaven en heren. En dan waren er ook nog verschillen in geestelijke gaven (1 Korintiërs 12:8-10 en 28-30). De een kon genezen, een ander kon goed preken, een derde goed evangeliseren. Weer een ander had een scherp oog voor wat er in de samenleving gebeurde, en dan waren er ook nog mensen die goed waren in het ontwikkelen van visie op wat er in de gemeente moest gebeuren. En er waren mensen die goed waren in het geven van hulp, anderen hadden bestuurlijke kwaliteiten. Wat een verschillen. Is het niet logisch dat dit wrijving geeft? Is het niet te verwachten dat al deze onderlinge verschillen op den duur leiden tot een explosie? Net zoals dat in onze kerken soms het geval lijkt te zijn.

 

En is het dan niet vreemd dat in dat beeld van het lichaam vooral het verschillend zijn wordt benoemd? Want daarop ligt het accent. Ik zal u laten zien dat dit gebeurt. We beginnen dan bij vers 14. Een heel opvallend vers. Gaat het in vers 12-13 nog over de eenheid, in vers 14 gaat het opeens over verscheidenheid. En dan staat er het woordje ‘immers’ tussen. Dat woord ‘immers’ slaat terug op het einde van vers 13. Waarin het gaat over de eenheid van heel verschillende mensen: Joden en niet-joden, slaven en vrije mensen. Er is eenheid in die verscheidenheid, zegt Paulus. Immers, zo is dat ook in het menselijk lichaam. In het menselijk lichaam is er eenheid door de verscheidenheid. Een lichaam bestaat toch uit allemaal verschillende ledematen? Maar, gaat Paulus verder, dit verschillend zijn mag niet leiden tot je terugtrekken. Dat is vers 15-16. Als de voet constateert dat hij anders is dan de hand moet hij niet concluderen dat hij er daarom niet bij hoort. En als het oor ontdekt anders te zijn dan een oog moet hij ook niet om die reden zich afzonderen. Het verschillend zijn mag niet leiden tot je terugtrekken. Want verschillen zijn legitiem. Sterker nog, als er geen verschillen zouden zijn was er geen eens sprake van een lichaam. Vers 17: als het hele lichaam uit oog zou bestaan, ja dan ligt er een of ander groot oog op de grond. Dat niet kan horen, dat niet kan lopen, dat de beelden die het binnen krijgt niet kan verwerken en opslaan, of omzetten in daden. En het zelfde geldt voor een oor. Vers 19 zegt het ronduit: ‘Als alle lichaamsdelen hetzelfde zouden zijn, waar blijft dan het lichaam?’ Een bergje armen is geen lichaam. Een hoopje benen ook niet. Als je die bij elkaar legt is het dood. Het leeft en functioneert niet. Maar nu, vers 20, nu er allemaal verschillende lichaamsdelen zijn, vormen ze samen één lichaam. Een perfecte eenheid. En vers 21 maakt het af: al die verschillende lichaamsdelen hebben elkaar nodig. Het oog komt pas tot zijn recht als die in verbinding staat met de hand. En het hoofd komt pas ergens als de voeten hem willen dragen.

 

De boodschap van dat beeld dat de gemeente een lichaam is, is verrassend genoeg dus dit: voor eenheid heb je verscheidenheid nodig. Om als gemeente één geheel te vormen dat leeft en functioneert, moeten er verschillen zijn. Maar nu even concreet. Welke verschillen zijn er dan onder ons, de gereformeerde kerk in Zeewolde? Nou, er zijn oude mensen en jonge mensen. Er zijn getrouwden en alleenstaanden. Er zijn mannen en vrouwen. Er zijn mensen uit Nederland en mensen niet uit Nederland. Er zijn doeners en denkers. Er zijn timmermannen en managers. Mensen met grote huizen en mensen die op kamers wonen. Er zijn praters en mensen die liever luisteren. Mensen die goed zijn in het bezoeken van zieken en mensen die gemakkelijk met de jeugd omgaan. Er zijn mensen die altijd vol met plannen en idealen zitten en mensen die gelukkig zijn met het bestaande. Er zijn optimisten en mensen die het allemaal wat donkerder inzien. Mensen die risico’s nemen en mensen die liever voorzichtig zijn. Talige mensen en handige mensen. Geduldige mensen en zij die vandaag nog resultaat willen zien. Er zijn recht voor zijn raap mensen en bedachtzame types. Er zijn boekenwurmen en sporters. Mensen die gemakkelijk contact leggen en mensen die dat moeilijk vinden. Er zijn artistieke types en doe-maar-gewoon mensen. Precieze mensen en gemakkelijke mensen. Mensen die verdriet met zich meedragen en mensen die vol vreugde in het leven staan. En ga zo maar door. Wat een verschillen. Wat een diversiteit.

 

En komt hier nou net niet alle ellende uit voort? Alle verdeeldheid? Maken deze verschillen het niet praktisch onmogelijk om een hechte gemeente te vormen? Nou, zo gemakkelijk komen we er niet van af. Wrijving, en eventueel zelfs verdeeldheid ontstaat niet door de verschillen zelf maar door hoe wij daarmee omgaan. De ellende zit hem in onze jaloezie. En de ellende zit hem in minderwaardigheidsgevoelens. En superioriteitsgevoelens. En de ellende zit hem in onze eerzucht en dat we zo bedacht zijn op onze positie of onze belangen.

 

Het kan ook helemaal niet dat het probleem zou zitten in de verschillen zelf. Want waar komen die verschillen vandaan? Ze komen bij God vandaan. Allereerst heeft God de mens zo geschapen dat ieder uniek is. Verschillen zijn dus een scheppingsgave. Maar daarnaast geeft God ook verschillen door zijn Heilige Geest. Kijk maar in 1 Korintiërs 12:11. Die ene Geest geeft aan een ieder afzonderlijk gaven, kwaliteiten, functies, zoals Hij dat wil. Verschillen in de gemeente komen dus bij God vandaan. Maar, en dat is het bijzondere, de eenheid komt ook bij God vandaan. We zijn één in Christus: ‘Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam, we hebben immers allen deel aan het ene brood’ (1 Korintiërs 10:17). En, ‘we zijn allen tot één lichaam gedoopt, en allen zijn we met één Geest doordrenkt’ (1 Korintiërs 12:13). Dus we ontdekken het volgende: onze eenheid ligt in God en Hij geeft ons ook de opdracht eensgezind te zijn. Maar diezelfde God heeft ons verschillend gemaakt en geeft ons ook verschillende kwaliteiten en taken.

 

Maar waarom is dat dan zo? Waarom doet God dat zo? Ja misschien om ons iets te leren? Namelijk: liefde tot elkaar. Christus wil ons leren elkaar lief te hebben. Omdat Hij ons heeft liefgehad. En daarom hebben wij God lief, wat onder andere tot uiting komt in onze liefde tot elkaar. En dat is niet een liefde van het gevoel, een liefde die me overkomt, maar het gaat hier over een liefde die ik in mezelf opwek. Ik wil de ander liefhebben. Daar zet ik me toe. Daar herinner ik mezelf telkens aan. Daar wordt ik ook aan herinnerd als ik bijbel lees, over Gods liefde voor mij.

 

En uit die liefde komt dan voort dat ik de ander tot zijn recht laat komen. Dat ik bedacht ben op de eer van een ander. Dat ik geef, maar mezelf ook open stel om te ontvangen. Want ik heb die ander nodig. Ik kan niet alles en ik ben niet alles. Ik ben maar een onderdeel van het lichaam. En uit die liefde komt voort dat ik tevreden ben met de gaven die God me geeft. De eerste en grootste gave is toch ook dat God me genade geeft? Daarom zijn we voor God ook allemaal van gelijke waarde. Niet gelijk, God zorgde immers voor verschillen, maar wel gelijkwaardig. En uit die liefde komt voort dat ik niet jaloers ben op anderen, wat zij kunnen, of dat ik jaloers ben op de positie die zij hebben. Uit die liefde komt voort dat ik de ander zijn plek in de gemeente gun en zijn of haar eigenheid. Uit die liefde komt voort dat ik blij ben met zijn of haar succes en geluk. En waarom is het zo belangrijk om dit allemaal te leren? Omdat ik zo steeds meer ga lijken op onze Here Christus, steeds meer zijn beeld ga vertonen, en dus steeds meer de mens wordt zoals Hij mij bedoeld heeft. En omdat ik zo steeds meer geschikt zal blijken voor het leven in het koninkrijk van God.

 

Voor eenheid in de gemeente heb je verscheidenheid nodig. Juist de verschillen tussen mensen maken dat er stevige verbindingen kunnen ontstaan. Omdat je afhankelijk van elkaar bent en omdat je elkaar aanvult. Maar die eenheid ontstaat niet automatisch. In het menselijk lichaam wel, zo heeft God dat geschapen (1 Korintiërs 12:24-25). Maar in de gemeente gaat dat niet vanzelf. Nee in de gemeente geldt:

 

Eenheid ontstaat daar waar verscheidenheid dienstbaar wordt ingezet

 

Het lijkt nu allemaal vrij gemakkelijk. Alsof een hechte en saamhorige gemeente voor het grijpen ligt. Toch is dat niet zo. We weten dat ook uit ervaring. Want allereerst, wat zitten jaloezie, minderwaardigheidsgevoelens en superioriteitsgevoelens en eerzucht en het bedacht zijn op onze eigen positie vaak diep in ons vast. En wat kunnen pijnlijke ervaringen in het verleden ons ook parten spelen. De voortdurende omgang met de bijbel, waarin Jezus zich geeft, is de weg om dat te overwinnen. Of beter gezegd: om dat te laten overwinnen, in onszelf. Eenheid begint bij ‘elkaar dienen’. Naar het voorbeeld van Christus. ‘Want ook Christus heeft zichzelf niet behaagd.’ Romeinen 15:3. En we moeten elkaar aanvaarden, ‘zoals ook Christus ons aanvaard heeft’ (vers 7). Dus toen wij nog vijanden voor Hem waren. Die liefde telkens op je laten inwerken maakt je liefdevol naar je naaste toe. Achter dienstbaarheid staat de liefde. Uit de liefde komt de dienstbaarheid voort. En dienstbaarheid is nodig om de verschillen juist in te zetten voor de eenheid. We zullen dus moeten doen wat in Kolossenzen 3:14 staat: ‘Doet bij dit alles -en ‘dit alles’ is dan: meeleven, goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld- doet bij dit alles de liefde aan, als de band van de volmaaktheid’. Verschillen kun je als messen in elkaars leven steken, maar wanneer er liefde is, zoek je juist naar het in elkaar passen van verschillen. Dat is wel een leerproces. Er moet soms ook veel overwonnen worden. Eenheid krijg je niet zomaar eventjes. Daar is heel veel tijd voor nodig. Logisch, denk maar aan het voorbeeld van het puzzelen. Daarvoor is veel geduld nodig. En concentratie. En telkens maar weer de stukjes naast elkaar leggen. Tot je het gevonden hebt. Tot het past. Concreet betekent dat: ieder zal zijn eigen kwaliteiten en gaven in beeld moeten krijgen, en vervolgens dienstbaarheid moeten oefenen.

 

Betekent dit nou dat we alle verschillen van elkaar moeten accepteren? Dit kan je toch ook misbruiken? In de zin van: ‘Men moet mij maar nemen zoals ik ben.’ Of ook: ‘Ik heb mijn eigen mening over dingen, en daar mag niemand wat van zeggen.’ Nu zou dit laatste een kerk geven waarin allerlei verschillende leren naast elkaar bestaan. Opvallend is juist het verbindende principe in het lichaam: de eenheid van de gemeente ligt in Christus. En dus in het gehoorzaam zijn aan zijn Woord. Verschillend denken over dingen in de kerk kan dus wel, en mag ook, maar niet als het gaat over wat de bijbel ons leert. Daarvan vraagt Christus zelf dat wij zijn leer aanvaarden. En dat wij naar zijn stem luisteren. Maar dat andere, mogen allerlei hoekige karakters zich ongegeneerd laten gaan in de gemeente? Zo van: ‘Zo zit ik nou eenmaal in elkaar, mijn omgeving past zich maar aan?’ Nee, want hoe verdraagt dat zich met wederzijdse liefde? Kijk, een lichaam heeft ook de eigenschap om in zichzelf te bestrijden wat niet goed zit. Conflict is dus niet perse verkeerd in een gemeente. Een lichaam bestrijdt infecties in zichzelf. En dat kan met hoge koorts gepaard gaan. Een gevecht op onderdelen voor het behoud van het geheel. In de gemeente laten we elkaar niet zomaar los of leven we in een koele onverschilligheid ten opzichte van elkaar. In de gemeente mag niet getolereerd worden wat Christus niet tolereert. Of het nou dwaalleer is of liefdeloosheid. Want zoiets infecteert het lichaam.

 

Christus geeft ons dus richting als het gaat over het omgaan met eigenheid en verscheidenheid in de gemeente. Oké, dat weten we dan. Maar als er dan toch nog steeds geen eenheid ontstaat? Als gezamenlijkheid maar niet wil lukken in de gemeente, wat dan? Laat dat niet komen door wat er zo vaak in onze samenleving lijkt te gebeuren. In onze samenleving worden enerzijds de verschillen breed uitgemeten en benadrukt. Verschillen worden tussen mensen ingezet. Wat leidt tot conflict. En anderzijds moet alles zo uniform mogelijk, zo veel mogelijk alles en iedereen gelijk. Tot in het denken aan toe. Maar dat leidt dus helemaal niet tot een saamhorige samenleving. Nee, het beeld van het lichaam laat ons zien dat eenheid daar ontstaat waar verscheidenheid dienstbaar wordt ingezet. En dan heb ik het niet over verscheidenheid in de leer maar verscheidenheid in kwaliteiten, eigenschappen, gaven en taken. Die verschillen moeten we opsporen en vervolgens dienstbaar inzetten. Misschien is de grote vraag nu: nemen we wel tijd voor dat moeilijke leerproces, dat eindeloze puzzelen? En ook: kan het zijn dat we als puzzelstukjes eigenlijk liever op onszelf blijven? Individualisme! Ja dan komt er nooit wat van terecht. Dan zullen we nooit dat mooie totaalplaatje zien. Of dat levende lichaam zijn. Maar wanneer we wel willen maar tegen onze onmacht aanlopen, laat dit dan onze troost zijn: Christus heeft een doel met de gaven van zowel eenheid als verscheidenheid. Namelijk dat wij liefde leren. En Christus zelf werkt aan dat doel. Want Hij geeft ons zijn liefde. Amen.